In het algemeen kan ik stellen dat ik van nature een vriendelijk persoon ben. Tenminste, dat vind ik zelf. Er zullen ongetwijfeld exemplaren van de mensheid te vinden zijn die het tegenovergestelde zullen beweren. Ik durf erop wedden dat het over meer mensen gaat dan ik kan vermoeden.
Ik erken, ik ben best wel vaak onvriendelijk geweest. Voornamelijk en bijna uitsluitend wel als ik in contact kwam met autoriteiten, onnatuurlijk gezag, bureaucratie, afzetterij, overdreven identificatie met een functie en bedrieglijke praktijken.
Iets te regelmatig kon ik me amper een minuut of twee waardig gedragen aan de telefoon alvorens ik de andere partij beschuldigde van onzinnig, idioot, dom en volstrekt onlogisch. Ik realiseerde me niet dat ik kwalijke systemen projecteerde op hun persoon. Ik nam het, helaas, persoonlijk.
Ze braken in op het terrein van vrije wil. De belastingdienst, verkeersboetedienst, verzekeringsagenten, telecomoperatoren, kortom alle entiteiten waarachter gebrekkige logica zich eeuwig kan verstoppen, kregen ooit de volle laag van mij.
Mensen vriendelijk groeten deed ik amper als ik in een bui zat waarin ik heel deze wereld voor een zoveelste keer niet begreep, ik me ergerde aan de volgzaamheid van zovelen, ik ervoer hoeveel mensen voornamelijk vertrouwen op externe autoriteiten en geen besef hebben van een eigen wonderlijke innerlijke autoriteit.
Onlangs voelde ik me terug een klein jongetje dat keek naar jeugdfilms waarin jonge helden op zoek gingen naar een schat. Ik ontdekte iets waardoor ik me even de held voelde van een avonturenepos. Ik had een schat gevonden in het grote avontuur dat ons leven is. Het voelde alsof ik dé gouden sleutel had gevonden die vele gesloten deuren voor me konden openen.
Ik had de ‘schat van de vriendelijkheid’ gevonden.
Ik nam me voor vanaf dat moment enkel en alleen nog telefoons te doen in opperste vriendelijke toon. Ik begon elk gesprek met de boodschap: ‘Ik bel je omdat ik weet dat je me kan helpen’. Die zin, lieve mensen, is pure magie. Het leek wel of elk individu dat zich had gewenteld in regelneverij zich bevrijdde van een hard pantser om vanuit zachtheid behulpzaam te zijn.
Yes, ik had contact gemaakt met een hart, een mensenhart. En echte, mooie gesprekken vingen aan. Ik werd geholpen als nooit tevoren. Bedienden kozen zelfs partij voor mij, tegen hun irrationele bedrijfscultuur. Rekeningen werden verwijderd uit het systeem. Ik kreeg meer begrip dan ooit tevoren. Elk gesprek eindigde steevast in: ‘Meneer, ik begrijp je heel goed, ik vind het ook raar dat ze dat hier zo regelen’.
Weg met de functie en haar maskers, hier was de mens.
Mijn bewuste vriendelijkheid deed beide partijen uit een zogenaamde verticale hiërarchie stappen. Als gelijkwaardige medemensen ontstond een gesprek, waarin de natuurlijkheid van het wezen van behulpzaamheid terug geëerd werd. Steevast sloot ik af met: ‘Zie je wel, je hebt me zo ongelooflijk goed geholpen, ik ben je ontzettend dankbaar, veel dank.
Als mens zijn we allen vaak onbeholpen, onbewust en dragen we allen een heel pakket pijn en verdriet met ons mee. Een medemens vriendelijk aanspreken, zorgt ervoor dat we contact maken met ons wezenlijkste bezit, ons hart. Dé plek waar liefde zich in huisvest. Dé plek waar we allen één zijn.
Ps:
een vriend: ‘Mooi, maar niet zo geloofwaardig misschien’.
ik: ‘Grappig, want het is allemaal echt gebeurt, ik zweer het’.
Reactie plaatsen
Reacties